LOTX schema’s postoperatieve zorg op IC

Auteur (ICV): Robert van Thiel

Dit document bevat:

  • Standaardschema Immunosupressie na longtransplantatie (inclusief oral vs i.v.)
  • Overige standaardmedicatie na Longtransplantatie
  • Schema laboratoriumonderzoek na Longtransplantatie

Het volledige protocol Longtransplantatie “Deel 3: vroege post-operatieve zorg Intensive Care” is te vinden op het KMS van het Erasmus MC.

Standaardschema Immunosupressie na longtransplantatie (inclusief oral vs i.v.)

Doel van immuunsuppressie is het voorkomen van schade of verlies van de graft door afstoting. Er zijn thans meerdere immunosuppressiva op de markt, waarbij alternatieve behandelschema’s worden onderzocht of worden geëxtrapoleerd uit andere solide orgaantransplantatie programma’s onder invloed van bijwerkingen na transplantatie. Hieronder vindt u het standaardschema immuunsuppressie na longtransplantatie. Daarna volgt een beschrijving meest gebruikte middelen. Startdosering en aanpassingen worden door de transplantatielongarts gestart (spiegel doorbellen aan LOTX longarts).  Alternatieve schema’s zijn mogelijk, waarbij steeds geldt dat de indicatie hiervoor wordt gesteld door de transplantatielongarts.

* anti IL-2R monoclonale antistof (Basiliximab/SimulectÒ): 20 mg i.v. op dag 0 en dag 4.

Dit zijn slechts richtlijnen. In individuele gevallen kan hiervan worden afgeweken. Zo zullen patiënten met herhaalde rejectie meer immunosuppressie krijgen dan dit schema adviseert, terwijl patiënten met bijwerkingen of recidiverende infecties minder zullen krijgen. Per patiënt zal een streef dalspiegel worden afgesproken i.o.m. transplantatielongarts.

In de eerste maand kan 3 keer per week ook een mycofenolaat-mofetil (Cellcept®) dalspiegel worden bepaald. Bij waarden boven 4 mg/l of onder 1,5 mg/l kan de dosis Cellcept® worden aangepast.

Aanpassing van immuunsuppressie gaat altijd via longtransplantatiearts en gebeurt o.a. op geleide van EBV en CMV PCR

Van groot belang is het op juiste tijden en wijze toedienen van de immunosuppressiva en ondersteunende medicatie. Bij transplantatie in het weekend zullen sommige bepalingen anders verwerkt of op andere dagen afgenomen moeten worden. Dit is afhankelijk van het belang voor de patiënt , en zal in overleg bepaald worden.

Indien een patiënt enkel intraveneus zijn/haar immuunsuppressie kan krijgen, dient te worden overlegd met de transplantatielongarts. Aanpassing gebeurt o.g.v. schema.

Bij spiegelbepaling in het weekend dient hier vooraf over te worden overlegd met de apotheker.

Overige standaardmedicatie na Longtransplantatie

PROFYLAXE TROMBOEMBOLIE

Gezien de verhoogde kans op DVT en longembolie na longtransplantatie (IC 3-20%) krijgen patiënten tot ontslag tromboseprofylaxe (1 dd 5700 IE, bij nierfunctiestoornis 1dd 2850IE), welke poliklinisch niet wordt voortgezet. Gekende risicofactoren zijn oudere leeftijd, diabetes, pneumonie, immobiliteit, centraal veneuze catheters. Antistollingsbeleid is volgens vigerende indicaties, waarbij men bedacht moet zijn op interacties met tacrolimus.

Wanneer er longembolieën optreden zijn de gevolgen ernstiger dan bij anderen in verband met de ontbrekende bronchiaal circulatie. Trombose van een van de ingehechte pulmonaal venen kan ook voorkomen, met name als er mechanische problemen zijn (afknikken). Het beeld kan lijken op  primaire graft dysfunctie, maar er dreigt infarcering van het betrokken longdeel, en de diagnose dient daarom binnen enkele uren gesteld te zijn. Die diagnose kan met contrast-CT of transoesophageale echocardiografie (vaak moeizaam) gesteld worden.

Schema laboratoriumonderzoek na Longtransplantatie

Aandachtspunt bij de laboratoriumdiagnostiek: de routine spiegelbepaling Tacrolimus moet op: maandag, woensdag en vrijdag.

Vanaf dag 8 postoperatief, mits de toestand dit toelaat, lab volgens routine IC met X-thorax t.m. 3x/week of vaker bij respiratoire problemen (atelectase, etc).