Transport Intra-hospitaal

Penvoerder: Patricia Gerritsen

Algemeen

Inleiding
Intrahospitaal transport van Intensive Care patiënten gaat gepaard met een verhoogde morbiditeit en mortaliteit. Slechts door grondige voorbereiding en planning, als wel het inzetten van deskundig personeel en transportgeschikte apparatuur kan dit risico geminimaliseerd worden. De eerste stap is het bepalen of het risico van het transport opweegt tegen de verwachte klinische opbrengst van het geplande onderzoek of ingreep. Verder is een belangrijke voorwaarde dat de procedure niet (adequaat) kan plaatsvinden op de intensive care aan het bed van de patiënt. Ook moet er gestreefd worden dat het zorg niveau tijdens het transport equivalent is aan het niveau op de IC.

Om een richtlijn te maken aangaande de minimum eisen die gesteld worden aan personele begeleiding van patiënten en monitoring van patiënten kunnen IC patiënten verdeeld worden in 3 categorieën, namelijk:

Categorie A:
– Niet beademde patiënt die niet respiratoir bedreigd is (ademfrequentie < 30 en < 15 Liter/min O2),
-haemodynamisch stabiel (Noradrenaline < 0,2 !g/kg/min) en -rustig en coöperatief (kan onderzoek of interventie ondergaan zonder sedatie).

Categorie B:
– Beademde (invasief of niet invasief) patiënten en/of
-haemodynamisch matig stabiel (Noradrenaline tussen 0,2 – 0,5 !g/kg/min).
-Ook patiënten met een klinisch relevante allergie voor contrastvloeistof bij wie het toedienen van contrast noodzakelijk is.

Categorie C:
– Invasieve beademde patiënten met ernstig respiratoir falen (FiO2 > 0.6 en/of PEEP > 15 cmH2O) en/of
-haemodynamisch instabiliteit (Noradrenaline > 0,5 !g/kg/min).

Indicaties voor begeleiding door intensivist of fellow:
– Op verzoek van verpleegkundige of IC arts.
-FiO2 > 0.6 en PEEP > 15 cmH2O
-Noradrenaline > 0,5 !g/kg/min
-ICP > 25 mmHg.

Proces voor transport:
-Aanvraagformulier invullen in Elpado voor de radiologie (arts)
-Inlichten van familie bij interventies (arts)
-Arts geeft medicatieopdracht in PDMS systeem bij contrastallergie en nierbescherming bij gebruik van contrast
-Loop checklist af bij het voorbereiden van het transport (verpleegkundige)
-Bel vlak voor vertrek locatie waar patiënt naar toe gaat over de exacte tijdstip en exacte locatie verpleegkundige)
-Alarmgrenzen van transportmonitor controleren (arts)
-CVVH ontkoppelen (verpleegkundige)
-Niet essentiële pompen ontkoppelen (bv actrapid en voeding) (verpleegkundige na overleg met arts)
-Controleer hoeveelheid zuurstof in de fles (arts)
-Beademingsmachine op transportkar instellen (arts)

Transport:
– Transportkar met IC-monitor, beademingsmachine, spoedmedicatie en ambu (defibrillator is NIET noodzakelijk)
-Gebruik altijd ET CO2 monitoring bij beademde patiënten.
-Gebruik spoed lift-sleutel
-Houd altijd zicht op monitor
-Transport met bezetting afhankelijk van de categorie (zie flowchart)

Op locatie:
– Gebruik zuurstof-supply uit de muur direct bij aankomst in de kamer om verbruik zuurstoffles te sparen
-Transportmonitor aansluiten op elektriciteitsnetwerk
-Begin voor het overtillen met een time-out procedure waarin de volgende punten aanbod komen: juiste patiënt, juiste procedure, overgevoeligheid, geldende behandelbeperkingen, houding op tafel, positie lijnen
-Tube zekeren door arts tijdens overtillen en deze geeft start moment aan (‘hoofd telt’)
-Monitor en beademingsmachine zichtbaar opstellen tijdens procedure
-Na installeren van patiënt op onderzoek-/of interventietafel controleren op druk plekken. Zo nodig padding gebruiken
-Bepaal intraveneuze toegang voor evt. ontrastvloeistof (verpleegkundige)
-Testloop van de tafel door laborant in aanwezigheid van arts en IC-verpleegkundige of beademingsslangen en intraveneuze lijnen lang genoeg zijn en voldoende gezekerd
-IC-arts en IC-verpleegkundige blijven in principe aanwezig tijdens procedure of dragen patiënt over aan anesthesioloog en verpleegkundige
-Patiënt pas van tafel halen na beoordeling kwaliteit van het onderzoek.

Aankomst op IC:
– Patiënt aansluiten aan eigen beademingsmachine (arts)
-Opnieuw aansluiten aan monitor (verpleegkundige)
-Controleren van de pompen en herstart voeding en evt. actrapid i.v. (verpleegkundige)
-Zonodig patiënt overdragen aan verantwoordelijke arts en verpleegkundige
-Verslaglegging van evt. complicaties tijdens transport en/of interventie in patiëntenstatus (arts)
-Eventuele aanpassingen van het beleid in PDMS en status noteren naar aanleiding van nieuwe bevindingen (arts)
-Familie inlichten na een invasieve interventie (arts)

Intra hospitaal transport

Bronvermelding:
– Esmail R et al (2006) Is your patient ready or transport? Developing an ICU patient transport decision scorecard. Healthcare Quarterly 9:80 – 86.
-Van Lieshout EJ (2001) Richtlijn voor het transport van intensive care patient. NVIC Monitor 5(6):22-25.
-Warren J et al (2004) Guidelines for the inter- and intrahospital transport of critically ill patients. Crit Care Med 32:256-262.
-Waydas C (1999) Intrahospital transport of critically ill patients. Crit Care 3: R83 – R89.
-Weg JG, Haas CF (1989) Safe intrahospital transport of critically ill ventilator – dependent patients. Chest 96: 631-635.

© 2011 JVB